landelijke woonboten organisatie

start onderwerpen trefwoorden lwo contact sitemap links
 
   

feed

LWO
Postbus: 8192
3503 RD Utrecht
Tel: 030 - 29 67 698
E-mail

Valid XHTML 1.0!

Valid CSS!

valid-rss

 

 

Geschiedenis van de LWO
De belangenvereniging van woonboot nederland.

ga terug terug    

a war is born groningen

 

JUBILEUM NUMMER 25 JAAR LWO WBM NR 1 2001

450 jaar woonboten

Sinds de Middeleeuwen liggen er woonboten in Nederland. Soms ondersteunden overheden deze woonvorm. Maar ook maakten zij met terugkerende regelmaat bootbewoners verdacht, joegen ze weg, verhoogden de woonlasten buitensporig en oefenden zijdelingse pressie uit. Zo ook in deze tijd.

Wonen op het water is al eeuwen een oplossing voor veel mensen. Pas de afgelopen honderd jaar is er een onderscheid aangebracht tussen verschillende groepen waterbewoners. De grootste groep woonbootbewoners bleef op een vaste plek liggen en een minderheid trok met zijn woonschip van werkplek naar werkplek. Uit diverse onderzoeken blijkt dat er een doorsnee van de Nederlandse bevolking op woonschepen woonde. Van kunstenaars, tandartsen, studenten tot havenarbeiders, bouwvakkers en een enkele zwerver. De regelgeving van de rijksoverheid was vooral gericht op die enkele zwerver die niet in eigen onderhoud kon voorzien. Het trekken met woonschepen werd in 1918 per Rijkswet veiliggesteld. Maar tegenwoordig maken varende woonschippers het weer mee dat ze weggejaagd worden. En ook wie een vaste ligplaats heeft, moet zich zorgen maken. Sinds de introductie van landschapsverordeningen verdwijnen er woonschepen.

Verleden - 1918
De eerste schriftelijke bronnen van wonen op het water in Nederland gaan zo'n 450 jaar terug. En Amsterdam heeft in 1652 de primeur als het gaat om het verbieden van woonboten. De argumenten voor dat verbod: uit de woonboten blijken potjes en pannen verkocht te worden en dat ging ten koste van de concurrentiepositie van de lokale bevolking. Ook lagen de woonschepen in de weg, want waar ze lagen kon geen ander schip liggen, veroorzaakten ze stank, en belemmerden ze de doorstroming van het water. Bovendien woonden er lieden op die zich bezig hielden met "sluikerijen", criminelen dus. Dit soort redenaties klinkt de hedendaagse woonbootbewoners bekend in de oren. Dergelijke verboden werden nog een aantal eeuwen her en der opgeschreven maar blijken in de praktijk alleen gehandhaafd als het uitkwam. De nieuwe armenwet uit 1872 veroorzaakte zo'n handhavingsgolf. De kosten van steunverlening kwamen voortaan voor rekening van de gemeente waar men verbleef en niet meer voor rekening van de geboorteplaats. Vooral in Friesland en Groningen had dat een opjaageffect tot gevolg. Als het ging vriezen werden woonboten zonder pardon verjaagd naar de naburige gemeenten zodat ze daar in het ijs vast kwamen te liggen. Door het naar de buren jagen voorkwam men dat er eventueel een beroep gedaan werd op de eigen bijstandskassen. Definitief wegjagen kon niet, want er woonden trekarbeiders op die in de zomer hard nodig waren op het land.
Het wegjagen had, net als in 1652, een economische oorzaak en werd beperkt toegepast. Gemeenten waar rond 1870 veel gebouwd werd, zoals Amsterdam, bestemden stukken water voor woonboten. In 1911 had de meerderheid van de woonboten inmiddels een vaste ligplaats. De minderheid die nog wel met zijn
woonschip rondreisde kreeg in 1918 bescherming tegen wegjagen door de Woonschepen Wet. De aandacht van de wetgever ging daarbij vooral uit naar de bewoner. De eisen aan de woonschepen waren minimaal en een ruime overgangsregeling voor de oorspronkelijke bewoners van woonschepen die daar zelfs niet aan voldeden, was van kracht. Onder bepaalde voorwaarden kregen alle woonschipbewoners een woonvergunning. Criminelen en opvoeders die hun kinderen niet voldoende naar school stuurden werden van een vergunning uitgesloten en moesten op de wal gaan wonen. Tot de wetswijziging van 1991 werden dergelijke onderzoeken uitgevoerd voor het afgeven van woonvergunningen. Iedere bootbewoner stak dus sinds 1918 met vlag en wimpel uit boven zijn medeburgers op de wal. Op de wal woonden immers nog wel criminelen en spijbelaars.

1918 - 1945
Na de Eerste Wereldoorlog groeide het aantal woonschepen. Ze werden volgens de nieuwe wet formeel met rust gelaten. Iedereen dacht dat het grotere aantal woonschepen veroorzaakt werd door de woningnood en daardoor een tijdelijk verschijnsel zou zijn. Bewoners kregen volgens de regels vergunningen. Toen er meer woningen vrij kwamen, verdwenen inderdaad veel woonschepen.
De gemeente Amsterdam hielp dat uitsterfproces actief met wat men in lezingen trots "zijdelingse pressie" noemde. Een beleid dat het best valt samen te vatten met stadsterreur: het oprekken van wettelijke bevoegdheden, opheffen van ligplaatsen, veel gedwongen verplaatsingen, uit de binnenstad verbannen van woonschepen, aanwijzen van plekken zonder aanmeervoorzieningen, onthouden van nutsvoorzieningen, verhogingen van liggelden, afbraak van woonschepen en bewonertje pesten.
Het gebeurde door uitgebreid de juridische gereedschapskist uit te pakken. Via allerlei procedures werden woningen op vlotten buiten de Woonschepen Wet gebracht en alle ruimte die deze wet bood ingeperkt. Er zijn gemeenteambtenaren ontslagen omdat ze weigerden een lekke woonboot die op de kant lag te slopen of weer in het water te duwen omdat de bejaarde bewoners er nog inzaten. Uit die tijd stammen de eerste berichten van woonbotencomité's. Die comité's vertegenwoordigden bewoners in een buurt, vaak niet meer dan een sloot of een haven. Ze hadden hier en daar succes, maar het aantal woonboten in Amsterdam verminderde in nauwelijks tien jaar met 89%.

1945 - 1970
Na de Tweede Wereldoorlog heerste er weer woningnood en steeg het aantal woonboten spectaculair. In 1945 waren er in Nederland vermoedelijk 1.711 woonschepen. In 1960 was dat aantal toegenomen met 5.338 exemplaren tot 7.049 woonschepen. Ligplaatsen vormden geen probleem, dat loste je plaatselijk in onderling overleg met de havenmeester op. De autoriteiten wogen daarbij de belangen van de verschillende wal- en watergebruikers tegen elkaar af. De nieuwkomers werden allemaal netjes van een vergunning voorzien. Voor het eerst bouwden werven op grote schaal bedrijfsvaartuigen om tot woonschepen. Ook complete nieuwbouw op stalen en betonnen bakken werd populair.
In 1953 ontstond de eerste Landelijke Vereniging "De Arkbewoner" als belangenclub. Iedere woonbootbewoner werd toen arkbewoner genoemd. Het begrip "ark" had in die tijd niets te maken met het uiterlijk van het woonschip. Het ging die vereniging vooral om voorlichting: hoe je een woonschip moest vastleggen, betimmeren, financieren en bestellen. De voorlichting ging heel ver, zo werden adviezen over het soort huisdier en de te gebruiken kamerplanten verstrekt.
Tot verbazing van de autoriteiten bleken de woonboten ditmaal geen tijdelijk verschijnsel. Uit onderzoeken onder bewoners bleek een grote mate van tevredenheid met deze woonvorm. Rond 1960 begon hier en daar het grote pesten weer op plaatselijk niveau. Gemeentelijke diensten weigerden gas, elektra en water aan te sluiten. Vergunningen werden als pressiemiddel gebruikt om ligplaatsen van de ene op de andere dag op te heffen en dan was je, na jarenlang vergund en al gelegen te hebben, ineens "illegaal". Vanaf 1964 verschenen er provinciale Landschapsverordeningen met het uitdrukkelijke doel woonschepenligplaatsen te saneren. Het deed er niet toe of je een oorspronkelijk varend schip had of een ark, alle woonschepen dienden te verdwijnen. Het gemeentelijk en provinciaal optreden was weinig effectief omdat de mogelijkheden om een woonschip te ontruimen ontbraken. De rechter vond het recht op wonen belangrijker dan het landschapsbelang. De Landelijke Vereniging "De Arkbewoner" heeft de cultuuromslag van de overheden naar het actief proberen te verwijderen van woonschepen niet overleefd.

1970-2001
In 1970 waren er 9.058 woonschepen en bij de provincies ontstond weer veel animo om via de Landschapsverordeningen het aantal ligplaatsen drastisch te saneren. Zo werkten Utrecht, Noord- en Zuid-Holland nauw samen om dezelfde verordening in te voeren. Met een proefproject en al. Gemeenten dienden dat beleid in eigen verordeningen op te nemen en uit te voeren. Plaatselijke woonbotencomité's organiseerden zich in provinciale overleggen om weerwerk te leveren. Enkele gemeente- en provinciale besturen drongen aan op landelijke wetgeving en in 1975 ontstond de ontwerp-Woonschepen Wet van Van Dam. Die wet moest het mogelijk maken om wel effectief op te kunnen treden tegen de woonboten. Er moest een wettige basis komen om ligplaatsen op te heffen. Alle mooie woorden over "acceptatie van de woonvorm" in de concept-wet ten spijt was er over het uitsterfdoel geen twijfel mogelijk. De staatssecretaris vertelde het overal rond en de kranten stonden er vol van. Deze ontwerpwet was de directe aanleiding om het LWO op te richten. Mede door acties van het LWO is de ontwerpwet in de ijskast verdwenen. De ijskastdeur werd op het ministerie tot 1987 nog regelmatig op een kiertje gezet en door het LWO weer dicht geduwd.
Overheden begonnen hier en daar
schoorvoetend over te gaan naar het erkennen van de woonschepen als volwaardige woonvorm. De rijksoverheid adviseerde woonschepen voortaan in bestemmingsplannen op te nemen. Die erkenning en de dereguleringsoperatie die rond 1990 in Nederland op gang kwam had gevolgen voor de Woonschepen Wet. Die werd in 1991 teruggebracht tot 2 artikelen en in 1999 zelfs geheel ingetrokken. Sindsdien vallen woonschepenligplaatsen onder de Huisvestingswet. De belangrijke jurisprudentie van artikel 31, die een algeheel ligplaatsenverbod voor woonschepen onmogelijk maakte, ging mee over. Bij de jongste wetswijziging is in de discussie expliciet overwogen om woonschepen onder het welstandstoezicht te brengen. Net als in 1991 is daar door de Rijksoverheid met argumenten van afgezien.

Keerpunt
Eind goed, al goed? Helaas niet, geen enkele van de rechtsartikelen die op de wal woningen beschermen, blijken op het waterwonen toegepast te worden. Subsidievoorwaarden sluiten meestal woonschepen uit. Het is traditie dat de heldere richtlijnen van de rijksoverheid door de lagere overheden via allerlei verordeningen en regelgeving alsnog via de achterdeur anders 'geregeld' worden. Ten nadele van woonbootbewoners. Op veel plaatsen dreigen forse verhogingen van liggelden. Wie met zijn woonschip rondvaart wordt weer vaak weggejaagd.
Bij de eerste landelijke Woonschepen Wet in 1918 vielen woonboten onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Daarna onder die van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM) en sinds 1970 onder Volkshuisvesting. Het aantal woonschepen was na de Tweede Wereldoorlog onder de verantwoordelijkheid van Justitie flink gegroeid. Tussen 1960 en 1970 was de groei er wat uit maar onder de verantwoordelijkheid van CRM kwam men toch nog tot een totaal van 9.058 woonschepen.
In de volgende 30 jaar onder Volkshuisvesting kwamen er, met de meest optimistische berekeningen, hooguit 755 woonschepen bij. De Rijksuniversiteit te Groningen constateerde in een onderzoek uit 1996 zelfs in verschillende gemeenten een afname van het aantal woonschepen sinds 1993. Volgens onze informatie zet die tendens zich tot nu toe


25 jaar LWO

Een kwart eeuw geleden ontstond de LWO. De ontwerp-Woonschepenwet Van Dam was in de maak en die beloofde weinig goeds. Vermindering van het aantal woonschepen en varen moest helemaal afgelopen zijn. Woonschipbewoners organiseerden zich landelijk en weerstonden sindsdien menig aanval op hun woonvorm.

Wonen op het water is al eeuwen een oplossing voor veel mensen. Pas de afgelopen honderd jaar is er een onderscheid aangebracht tussen verschillende groepen waterbewoners. De grootste groep woonbootbewoners bleef op een vaste plek liggen en een minderheid trok met zijn woonschip van werkplek naar werkplek. Uit diverse onderzoeken blijkt dat er een doorsnee van de Nederlandse bevolking op woonschepen woonde. Van kunstenaars, tandartsen, studenten tot havenarbeiders, bouwvakkers en een enkele zwerver. De regelgeving van de rijksoverheid was vooral gericht op die enkele zwerver die niet in eigen onderhoud kon voorzien. Het trekken met woonschepen werd in 1918 per Rijkswet veiliggesteld. Maar tegenwoordig maken varende woonschippers het weer mee dat ze weggejaagd worden. En ook wie een vaste ligplaats heeft, moet zich zorgen maken. Sinds de introductie van landschapsverordeningen verdwijnen er woonschepen.

Verleden - 1918
De eerste schriftelijke bronnen van wonen op het water in Nederland gaan zo'n 450 jaar terug. En Amsterdam heeft in 1652 de primeur als het gaat om het verbieden van woonboten. De argumenten voor dat verbod: uit de woonboten blijken potjes en pannen verkocht te worden en dat ging ten koste van de concurrentiepositie van de lokale bevolking. Ook lagen de woonschepen in de weg, want waar ze lagen kon geen ander schip liggen, veroorzaakten ze stank, en belemmerden ze de doorstroming van het water. Bovendien woonden er lieden op die zich bezig hielden met "sluikerijen", criminelen dus. Dit soort redenaties klinkt de hedendaagse woonbootbewoners bekend in de oren. Dergelijke verboden werden nog een aantal eeuwen her en der opgeschreven maar blijken in de praktijk alleen gehandhaafd als het uitkwam. De nieuwe armenwet uit 1872 veroorzaakte zo'n handhavingsgolf. De kosten van steunverlening kwamen voortaan voor rekening van de gemeente waar men verbleef en niet meer voor rekening van de geboorteplaats. Vooral in Friesland en Groningen had dat een opjaageffect tot gevolg. Als het ging vriezen werden woonboten zonder pardon verjaagd naar de naburige gemeenten zodat ze daar in het ijs vast kwamen te liggen. Door het naar de buren jagen voorkwam men dat er eventueel een beroep gedaan werd op de eigen bijstandskassen. Definitief wegjagen kon niet, want er woonden trekarbeiders op die in de zomer hard nodig waren op het land.
Het wegjagen had, net als in 1652, een economische oorzaak en werd beperkt toegepast. Gemeenten waar rond 1870 veel gebouwd werd, zoals Amsterdam, bestemden stukken water voor woonboten. In 1911 had de meerderheid van de woonboten inmiddels een vaste ligplaats. De minderheid die nog wel met zijn
woonschip rondreisde kreeg in 1918 bescherming tegen wegjagen door de Woonschepen Wet. De aandacht van de wetgever ging daarbij vooral uit naar de bewoner. De eisen aan de woonschepen waren minimaal en een ruime overgangsregeling voor de oorspronkelijke bewoners van woonschepen die daar zelfs niet aan voldeden, was van kracht. Onder bepaalde voorwaarden kregen alle woonschipbewoners een woonvergunning. Criminelen en opvoeders die hun kinderen niet voldoende naar school stuurden werden van een vergunning uitgesloten en moesten op de wal gaan wonen. Tot de wetswijziging van 1991 werden dergelijke onderzoeken uitgevoerd voor het afgeven van woonvergunningen. Iedere bootbewoner stak dus sinds 1918 met vlag en wimpel uit boven zijn medeburgers op de wal. Op de wal woonden immers nog wel criminelen en spijbelaars.

1918 - 1945
Na de Eerste Wereldoorlog groeide het aantal woonschepen. Ze werden volgens de nieuwe wet formeel met rust gelaten. Iedereen dacht dat het grotere aantal woonschepen veroorzaakt werd door de woningnood en daardoor een tijdelijk verschijnsel zou zijn. Bewoners kregen volgens de regels vergunningen. Toen er meer woningen vrij kwamen, verdwenen inderdaad veel woonschepen.
De gemeente Amsterdam hielp dat uitsterfproces actief met wat men in lezingen trots "zijdelingse pressie" noemde. Een beleid dat het best valt samen te vatten met stadsterreur: het oprekken van wettelijke bevoegdheden, opheffen van ligplaatsen, veel gedwongen verplaatsingen, uit de binnenstad verbannen van woonschepen, aanwijzen van plekken zonder aanmeervoorzieningen, onthouden van nutsvoorzieningen, verhogingen van liggelden, afbraak van woonschepen en bewonertje pesten.
Het gebeurde door uitgebreid de juridische gereedschapskist uit te pakken. Via allerlei procedures werden woningen op vlotten buiten de Woonschepen Wet gebracht en alle ruimte die deze wet bood ingeperkt. Er zijn gemeenteambtenaren ontslagen omdat ze weigerden een lekke woonboot die op de kant lag te slopen of weer in het water te duwen omdat de bejaarde bewoners er nog inzaten. Uit die tijd stammen de eerste berichten van woonbotencomité's. Die comité's vertegenwoordigden bewoners in een buurt, vaak niet meer dan een sloot of een haven. Ze hadden hier en daar succes, maar het aantal woonboten in Amsterdam verminderde in nauwelijks tien jaar met 89%.

1945 - 1970
Na de Tweede Wereldoorlog heerste er weer woningnood en steeg het aantal woonboten spectaculair. In 1945 waren er in Nederland vermoedelijk 1.711 woonschepen. In 1960 was dat aantal toegenomen met 5.338 exemplaren tot 7.049 woonschepen. Ligplaatsen vormden geen probleem, dat loste je plaatselijk in onderling overleg met de havenmeester op. De autoriteiten wogen daarbij de belangen van de verschillende wal- en watergebruikers tegen elkaar af. De nieuwkomers werden allemaal netjes van een vergunning voorzien. Voor het eerst bouwden werven op grote schaal bedrijfsvaartuigen om tot woonschepen. Ook complete nieuwbouw op stalen en betonnen bakken werd populair.
In 1953 ontstond de eerste Landelijke Vereniging "De Arkbewoner" als belangenclub. Iedere woonbootbewoner werd toen arkbewoner genoemd. Het begrip "ark" had in die tijd niets te maken met het uiterlijk van het woonschip. Het ging die vereniging vooral om voorlichting: hoe je een woonschip moest vastleggen, betimmeren, financieren en bestellen. De voorlichting ging heel ver, zo werden adviezen over het soort huisdier en de te gebruiken kamerplanten verstrekt.
Tot verbazing van de autoriteiten bleken de woonboten ditmaal geen tijdelijk verschijnsel. Uit onderzoeken onder bewoners bleek een grote mate van tevredenheid met deze woonvorm. Rond 1960 begon hier en daar het grote pesten weer op plaatselijk niveau. Gemeentelijke diensten weigerden gas, elektra en water aan te sluiten. Vergunningen werden als pressiemiddel gebruikt om ligplaatsen van de ene op de andere dag op te heffen en dan was je, na jarenlang vergund en al gelegen te hebben, ineens "illegaal". Vanaf 1964 verschenen er provinciale Landschapsverordeningen met het uitdrukkelijke doel woonschepenligplaatsen te saneren. Het deed er niet toe of je een oorspronkelijk varend schip had of een ark, alle woonschepen dienden te verdwijnen. Het gemeentelijk en provinciaal optreden was weinig effectief omdat de mogelijkheden om een woonschip te ontruimen ontbraken. De rechter vond het recht op wonen belangrijker dan het landschapsbelang. De Landelijke Vereniging "De Arkbewoner" heeft de cultuuromslag van de overheden naar het actief proberen te verwijderen van woonschepen niet overleefd.

1970-2001
In 1970 waren er 9.058 woonschepen en bij de provincies ontstond weer veel animo om via de Landschapsverordeningen het aantal ligplaatsen drastisch te saneren. Zo werkten Utrecht, Noord- en Zuid-Holland nauw samen om dezelfde verordening in te voeren. Met een proefproject en al. Gemeenten dienden dat beleid in eigen verordeningen op te nemen en uit te voeren. Plaatselijke woonbotencomité's organiseerden zich in provinciale overleggen om weerwerk te leveren. Enkele gemeente- en provinciale besturen drongen aan op landelijke wetgeving en in 1975 ontstond de ontwerp-Woonschepen Wet van Van Dam. Die wet moest het mogelijk maken om wel effectief op te kunnen treden tegen de woonboten. Er moest een wettige basis komen om ligplaatsen op te heffen. Alle mooie woorden over "acceptatie van de woonvorm" in de concept-wet ten spijt was er over het uitsterfdoel geen twijfel mogelijk. De staatssecretaris vertelde het overal rond en de kranten stonden er vol van. Deze ontwerpwet was de directe aanleiding om het LWO op te richten. Mede door acties van het LWO is de ontwerpwet in de ijskast verdwenen. De ijskastdeur werd op het ministerie tot 1987 nog regelmatig op een kiertje gezet en door het LWO weer dicht geduwd.
Overheden begonnen hier en daar
schoorvoetend over te gaan naar het erkennen van de woonschepen als volwaardige woonvorm. De rijksoverheid adviseerde woonschepen voortaan in bestemmingsplannen op te nemen. Die erkenning en de dereguleringsoperatie die rond 1990 in Nederland op gang kwam had gevolgen voor de Woonschepen Wet. Die werd in 1991 teruggebracht tot 2 artikelen en in 1999 zelfs geheel ingetrokken. Sindsdien vallen woonschepenligplaatsen onder de Huisvestingswet. De belangrijke jurisprudentie van artikel 31, die een algeheel ligplaatsenverbod voor woonschepen onmogelijk maakte, ging mee over. Bij de jongste wetswijziging is in de discussie expliciet overwogen om woonschepen onder het welstandstoezicht te brengen. Net als in 1991 is daar door de Rijksoverheid met argumenten van afgezien.

Keerpunt
Eind goed, al goed? Helaas niet, geen enkele van de rechtsartikelen die op de wal woningen beschermen, blijken op het waterwonen toegepast te worden. Subsidievoorwaarden sluiten meestal woonschepen uit. Het is traditie dat de heldere richtlijnen van de rijksoverheid door de lagere overheden via allerlei verordeningen en regelgeving alsnog via de achterdeur anders 'geregeld' worden. Ten nadele van woonbootbewoners. Op veel plaatsen dreigen forse verhogingen van liggelden. Wie met zijn woonschip rondvaart wordt weer vaak weggejaagd.
Bij de eerste landelijke Woonschepen Wet in 1918 vielen woonboten onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Daarna onder die van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM) en sinds 1970 onder Volkshuisvesting. Het aantal woonschepen was na de Tweede Wereldoorlog onder de verantwoordelijkheid van Justitie flink gegroeid. Tussen 1960 en 1970 was de groei er wat uit maar onder de verantwoordelijkheid van CRM kwam men toch nog tot een totaal van 9.058 woonschepen.
In de volgende 30 jaar onder Volkshuisvesting kwamen er, met de meest optimistische berekeningen, hooguit 755 woonschepen bij. De Rijksuniversiteit te Groningen constateerde in een onderzoek uit 1996 zelfs in verschillende gemeenten een afname van het aantal woonschepen sinds 1993. Volgens onze informatie zet die tendens zich tot nu toe voort en wordt het aantal woonschepen in Nederland kleiner. Amsterdam speelt ook nu weer een voortrekkersrol: in 1987 waren er 2610 woonschepen in de hoofdstad en in 1995 nog maar 2256.
Schaarste aan ligplaatsen, het ontbreken van faciliteiten voor varende woonschepen en de op vermindering gerichte regelgeving van lagere overheden kenmerken het beleid. Enkele dapperen proberen het nog via het "illegale circuit" en Museumhavens bieden nog enige ruime aan woonschepen. Particulier initiatief om op eigen kosten het woningbestand uit te breiden is voor het eerst in de geschiedenis onmogelijk gemaakt.
Op 20 januari 1976 spraken bootbewoners met staatssecretaris Van Dam van Volkshuisvesting over een ontwerp Woonschepenwet. Dat gesprek was het eerste wapenfeit van het Landelijk Woonschepen Overleg (LWO). Een aantal plaatselijke en provinciale woonbotengroepen hadden zich voor dat gesprek verenigd in het LWO. De organisatievorm wisselde in de loop van de jaren. Van een los overleg via een Stichting LWO naar, in 1993, een vereniging, de Landelijke Woonboten Organisatie (LWO). Eind 2000 is ruim een vijfde van de woonboten vertegenwoordigd door een lid. Een organisatiegraad van ruim 20% is erg hoog in Nederland.
Waarom doen al die bootbewoners dat, zo leuk is het LWO-verenigingsleven niet. Er worden geen bingo-avonden gehouden, geen dansfeesten of reünies. Het antwoord is simpel, de oorzaken die 25 jaar geleden de reden waren om een landelijk overleg te starten, gelden grotendeels nog steeds. Woonschepen roepen veel onberedeneerde haat en afgunst op bij regelgevers. Honderden ligplaatsen worden op papier weg bestemd, enorme verhogingen van de liggelden staan gepland. Geen van de overheden werkt echt toe naar het gelijkwaardiger maken van de rechten van wal- en waterbewoners.
Is het wel leuk op het water? Ja zeker, alleen kost anno 2001 het behoud van ligplaats en redelijke woonlasten veel bootbewoners meer tijd dan het onderhoud van hun woonschip. Dat kwam vaker voor in de geschiedenis van het wonen op het water.

Overleg
In het verre verleden verenigden woonbootbewoners zich plaatselijk. De tweede Landschapsverordeningsgolf rond 1972 maakte het nodig om ook per provincie weerwerk te leveren. Dat gebeurde geheel in de tijdgeest van die jaren. Aanvankelijk waren er nauwelijks structuren waarbinnen de woonbooteigenaren vergaderden. Het kwam voor dat men met 150 mensen bijeen kwam. Uit allerlei plaatselijke en provinciale groepen ontstond in 1976 het Landelijk Woonschepen Overleg. Voor die landelijke overleggen werd soms de Jaarbeurs in Utrecht afgehuurd. Langzaam ontstond een kerngroep van "waterhoofden" die per provincie een vertegenwoordiging moesten zijn van allerlei plaatselijke groepen. Naar de huidige begrippen is een kerngroep van 40 leden een onwerkbare hoeveelheid, tenzij een groot administratief apparaat de vergaderingen ondersteunt. Die ondersteuning ontbrak en we kunnen alleen maar groot respect hebben voor de inzet van een kleine groep mensen. Veelal op eigen kosten werden vergaderingen belegd, LWO-woonschepenkranten uitgegeven, acties voorbereid, eindeloos veel brieven geschreven en geprobeerd elkaar de hersens niet in te slaan. In die tijd werden uitgangspunten geformuleerd die tot op heden gelden. Een heel belangrijk uitgangspunt is de belangenbehartiging van alle soorten woonschepen, dus niet alleen van museumschepen, van "schoenendoos"-arken of watervilla's, maar van alles wat drijft en waarop gewoond wordt.

Acties
In 1979 werd er een landelijke protestactie gehouden in het Amsterdamse Bos. Veel woonbootbewoners kwamen met hun schip om te laten zien dat een verbod om te varen, als onderdeel van de wet Van Dam, niet gepikt zou worden. Urenlang stonden de bruggen in Amsterdam open. Er kwam ook een fototentoonstelling beschikbaar om de walbewoners meer zicht te geven op wat waterwonen nu eigenlijk inhield. Zaandam organiseerde zelfs rondvaarten op woonboten.
Veel energie verging aan het verkrijgen van nutsvoorzieningen en aan het al of niet inrichten van dwanghavens. Diverse plannen voor grote woonschepenhavens werden ontworpen. Er woedde in ambtenarenland een hevige discussie over centraliseren of decentraal laten liggen van woonboten. Binnen het LWO dus ook. Het viel niet mee om overeenstemming te verkrijgen over de strategie en de tactieken en een efficiëntere organisatie.

Stichting
Na jarenlange discussies leverden de Groningse bootbewoners de concept-statuten voor een vereniging. In 1985 werd het losse samenwerkingsverband niet een vereniging maar een stichting met dezelfde uitgangspunten. Donateurs konden voortaan hun geld bij de stichting LWO kwijt. Dat was hard nodig gezien de begroting van 1984. Op een totaal bedrag van fl. 1.135,- kwam men fl. 450,- tekort.
De stichting kon meer handen en voeten geven aan de organisatie. Beïnvloeding van politici en ambtenaren werd beter mogelijk. Een aantal brochures over riolering, bestemmingsplannen en hoe een woonboot te kopen verschenen rond 1988. Het LWO Woonschepen Nieuws verving de onregelmatig verschijnende LWO-krant en kwam 4 maal per jaar uit. De nauwe banden met de plaatselijke groepen bleven. Het beleid werd op jaarvergaderingen door de donateurs goedgekeurd. Rond 1990 besloot men om de stichting alsnog om te zetten in een vereniging. In een ambitieus plan werd het blad Woonschepen Nieuws met een nieuwe formule in 1992 voortgezet onder de naam Woonboot Magazine. Woonboot Magazine werd het vakblad van de woonbootbewoner. De LWO doet in het blad onder eigen verantwoordelijkheid de
verenigingsmededelingen. De rest wordt door een onafhankelijke redactie volgeschreven. Het blad geeft alle meningen weer die in woonbotenland leven, ook als die strijdig zijn met de LWO-standpunten.

Organisatie
Op 16 april 1993 werden de vereniging LWO en de Stichting Uitgeverij Woonboot Publicaties (SUWP) opgericht. De SUWP was nodig om de financiële risico's van Woonboot Magazine voor de LWO af te dekken. Het blad is een groot succes maar was tot voor kort een financieel zorgenkind. De vereniging groeide van rond de 500 donateurs naar een ledenbestand van rond de 2200 nu. Die leden wonen verspreid over het hele land in 336 verschillende dorpen en steden. Ongeveer de helft van de leden woont in 15 steden, de rest in de overige 321. Daarbij wonen 150 leden alleen in hun stad of dorp.
Woonschipbewoners zijn nog steeds in plaatselijke verenigingen of comité's georganiseerd. De LWO heeft geen afdelingen maar ondersteunt wel leden waar geen plaatselijke organisaties zijn. Of waar de plaatselijke kennis tekort schiet. Daarvoor is drie maal per week een telefonisch spreekuur.
In een aantal juridische procedures kan de LWO een rol spelen maar in veel gevallen is een advocaat nodig.
We beheren een adressenbestand van advocaten die kennis hebben van woonboten en wetgeving.
Hoofdtaak van het LWO is het beïnvloeden van regionale en landelijke overheden en waterbeheerders.
Een belangrijke onvoorziene taak is het afstemmen van verschillende rechtszaken. Overheden zoeken oplossingen veelal in juridische procedures in plaats van in overleg op hoofdlijnen met vertegenwoordigers van woonboters. We overleggen dan met plaatselijke woonboters waar welke argumenten en strategie te gebruiken. In Groningen is dat met de schitterende "A war is born"-actie ook gedaan (zie het verslag van Klaas Koetje elders in dit blad en koop het boek). De LWO kon in deze actie ook nog een zichtbare bijdrage leveren. Als Sinterklaas verkleed verscheen de LWO-voorzitter Peter Van Reenen in de raad. De enige manier om de raad nog toe te spreken omdat er formeel geen inspraak meer mogelijk was.
De LWO kent geen betaalde krachten. Op de ledenadministratie en het verzenden van onze publicaties na, die uit besteed zijn, is het vrijwilligerswerk. In vergelijking met 10 jaar terug is de begroting fors gegroeid en kunnen de actieve leden hun onkosten declareren. Er is een aantal leden vrijwel full-time actief. En dan nog moeten we meer laten liggen dan wenselijk is.
Op jaarvergaderingen worden de beleidsplannen vastgesteld die door het bestuur worden bewaakt.
Na vele verhuizingen van het almaar groeiende archief en de kantoorapparatuur is in 2000 een eigen kantoorschip aangeschaft. In 2001 komt die ruimte in gebruik.

Resultaten
Hadden al die discussies, interne vergaderingen, spreekuren, Nieuwsbrieven, acties, symposia, talloze juridische procedures, het lobbyen en overleggen met gemeenteraadsleden, beroepscommissies, waterbeheerders en Kamerleden resultaat? Was het al die ergernis, woede en zweetdruppels waard?
Vijf en twintig jaar geleden stond de Rijksoverheid op het punt de beschermende rol die men voor woonschepen vervulde te verlaten. De ontwerpwet Van Dam streefde naar een uitdrukkelijke vermindering van het aantal woonschepen. Acties van woonbootbewoners binnen en buiten de LWO hebben dat voorkomen. In 2001 beschermen de Rijksregelingen in principe de huidige woonbootbewoners weer. De Huisvestingswet gaat uit van een werkelijke acceptatie. Over het welstandsbeleid zijn door de Rijksoverheid in 1999 wederom duidelijke uitspraken gedaan.
De Beleidsregel verplaatsing en aankoop van woonschepen in verband met de uitbreiding van Schiphol regelt op een met de wal gelijkwaardige wijze schadevergoedingen.
Het LWO heeft hier duidelijke successen behaald.

Op het lagere overheidsniveau is ook veel werk verzet. Samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is een concept-Woonschepenverordening na 7 jaar arbeid uiteindelijk in 1995 klaar gekomen. Helaas is de houding van veel gemeenten onveranderd negatief gebleven. Dat uit zich onder andere in het geringe gebruik van de VNG-verordening. Amsterdam spant ook nu weer de kroon en gebruikt op grove en grote schaal de juridische gereedschapskist en zijdelingse pressie tegen de woonvorm. Ondanks de groei-doelstelling die de gemeenteraad voor woonboten al decennia heeft geformuleerd is de realiteit van het beleid dat het aantal woonschepen met honderden afneemt. Dat is ook in de gemeenteraad vastgesteld. In Amsterdam maar ook elders blijken de Diensten Ruimtelijke Ordening (DRO) de werkelijke lakens uit te delen.
In de gemeente Amsterdam, langs de rivier de Amstel en de Vecht woedt de derde "Landschapsgolf" sinds 1964. Alle technieken worden daarbij uit de kast getrokken om ligplaatsen te verminderen. Het spreekuur en de bijstand bij procedures en beroepsschriften voor leden voorziet in een grote behoefte.
De LWO heeft altijd veel aandacht besteed aan informatieverspreiding onder de woonbootbewoners.
Zo is de folder over het kopen van woonboten uitgebreid naar een boek Te koop woonboot waarvan 2.400 exemplaren binnen vijf jaar zijn verkocht. Koopcontracten voor woonboten is het tweede succesvolle boek voor leden en niet-leden. Woonboot Magazine geeft veel informatie over ontwikkelingen, technische vraagstukken en de lol van het wonen op het water.
Sinds kort is de LWO-website www.lwoorg.nl in de lucht. Veel belangrijke informatie is zo toegankelijk. Daarbij behoren de juridische, notariële en fiscale rubrieken die Woonboot Magazine gepubliceerd heeft. Maar ook de Beleidsregel verplaatsing en aankoop van woonschepen in verband met de uitbreiding van Schiphol.

Werk
Zijn we tevreden over het verleden? Ja, het is een wonder wat we met elkaar bereikt hebben. Is het genoeg voor de toekomst? Helaas niet, de afgelopen vijf jaar zijn de bedreigingen voor de huidige groep woonbootbewoners alleen maar groter geworden. Menige brief die 25 jaar geleden geschreven werd, kan met een nieuwe datum, zo weer verstuurd worden. De zijdelingse pressie is weer in volle gang. En als het even kan, ontwikkelen beleidsmakers woonschepenbeleid zonder de bewoners erbij te betrekken. De noodzaak tot vereniging neemt weer toe.


frank bos


Meten met twee maten

Sinds woonschepen vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Volkshuisvesting stagneert de groei. Toch spreken overheden van wildgroei. Tegelijkertijd krijgt het bedrijfsleven veel steun van de overheid, vaak ten koste van de huidige bewoners en hun woonschepen.

De geringe toename van woonschepen staat in schril contrast met de beweringen in vrijwel alle hedendaagse beleidsnota's. Daar wordt steeds gesproken van een voortdurende "wildgroei". Wie dat woord anno 2001 tegenkomt moet beseffen dat 92 % van de woonschepen in 1970 al zijn huidige ligplaats had. Het allergrootste deel daarvan is indertijd geheel volgens de regels die toen golden op zijn ligplaats vastgemaakt.

30 jaar wildgroei
De toename van woonschepen na 1970 komt vooral door schepen uit de saneringsgolf van de kust-, binnenvaart en visserij. Schepen die inmiddels terecht worden gezien als een belangrijk stuk erfgoed. Het gaat om scheepstypen die niet meer gebouwd worden. Monumentenbehoud is ook op het water gewenst. Wel zijn die saneringsschepen allemaal qua ontwerp jonger dan de "schoenendoos-ark" van eeuwen her. Het jongere deel van ons maritieme erfgoed vond zijn weg als "wildgroei woonboot" in de havens waar ze altijd al lagen. Niet alleen de bedrijfsschepen werden uit economisch oogpunt te klein, ook de meeste havens voldeden niet meer aan de schaalvergrotingseisen van de beroepsscheepvaart. Zo behielden de oude havens gelukkig hun functie als ligplaats voor schepen. Deze woonboten lagen niemand in de weg en kregen tot rond 1985 grotendeels de vereiste vergunningen. Waar dat problemen opleverde werden nadien ook wel Museumhavens opgericht.
De overheid richtte de afgelopen 30 jaar diverse dwang-, stapel-, straf- en wachthavens in. De meeste werden toch nog reuze gezellig. Een enkeling zoals de Amsterdamse dwanghaven werd een grote financiële mislukking.

Bestemmen
Rond 1990 begon men woonschepen soms op te nemen in bestemmingsplannen. Over het algemeen werd dat via de formule: het aantal aanwezige woonschepen min 10 %, gedaan. Bij het streepje op de kaart was dan vaak niet duidelijk of je eigen schip of dat van de buren werd weg bestemd. Aan woonboten van het "schoenendoos-model" werd de naam ark toegekend. En juist die werden in toenemende mate planningsslachtoffer. Omdat ze niet pasten, en zonder stedenbouw-
kundige of landschappelijke toets hun ligplaats hadden ingenomen. Dat die toets er in het verleden niet was wordt gemakshalve vergeten. Om van het op de wal gebruikelijke overgangsrecht in bestemmingsplannen maar niet te spreken. Zoals gezegd, 92 % van de woonschepen ligt al meer dan 30 jaar op zijn huidige ligplaats, en zelfs moord wordt na 18 jaar niet meer vervolgd.

Dereguleren
De deregulering van het woonschepenbeleid van de landelijke naar de plaatselijke overheid en waterschappen veroorzaakte veel ellende. Iedereen begon zijn eigen beleid te ontwikkelen en dat was vooral gebaseerd op het bewust in stelling brengen van vooroordelen, zoals "wildgroei" en de geldbelustheid van iedere woonschipbewoner en arkenhaat. Hetzelfde denken dat rond 1964 de geboorte van de Landschapsverordening kenmerkte. Dezelfde onbeschoftheid om vergunningen in te trekken en een "illegalen"-probleem te creëren. Van schadevergoedingsregelingen zoals op de wal gebruikelijk bij planschade is zelden sprake. Terwijl daarvoor kant en klare regelingen zijn ontworpen, zoals voor de verplaatsing of aankoop van woonschepen bij Schiphol.

Poen
Het was rond 1992 nog politiek correct om woonlastenverschillen tussen de wal en het water in de gaten te houden. Inmiddels is het markt denken alles overheersend en gaat het de overheid om opbrengstenoptimalisering. Voor ruim de helft van de woonbootbewoners worden verhogingen van fl. 7.000 tot fl 10.000 van de woonlasten per jaar uitgewerkt. Dat die woonlasten voor 80% van de huidige woonbootbewoners niet meer op te brengen zal zijn, is de plannenmakers worst. Je verkoopt je boot maar aan meer draagkrachtigen. Zo'n sanering van woningsoort naar hogere inkomstengroepen zou op de wal ondenkbaar zijn. Dit valt samen met projectontwikkelaars die waterkanten en oude havens herinrichten, en die daarbij het liefst geen woonschepen zien, of met hele dure ligplaatsen.

Ooms-arken
Sinds 1991 verkenden enkele woningbouwverenigingen de markt en maakten plannen voor grote ligplaatsenconcentraties. In IJburg te Amsterdam was het de ambtelijke Projectgroep duidelijk dat het hoofdstedelijk woonschepenbeleid zo beperkend en onzinnig was, dat men op een unieke constructie uitkwam. Ze noemden een woonschip geen woonschip meer maar een drijvende woning. Ze gingen in zee met bouwer Ooms, wiens
woonarken dan ook geen woonarken meer heten. Het ministerie vindt dat over deze oplossing de rechter in de toekomst een uitspraak moet doen. Voorlopig is de firma Ooms zeer succesvol, want in korte tijd zijn er diverse locaties in ontwikkeling. Zichtlijnen blijken wederom een waardeloos en discriminerend bestemmingsplaninstrument, in te zetten tegen de bestaande woonschepen. Een bestaand woonschip of ark mag in de Amsterdamse Houthaven niet hoger zijn dan 2,50 meter. Een nieuwbouw Ooms-ark die ernaast ligt, kan volgens het bestemmingsplan 9 meter hoog worden.
Het is een goede zaak als het bedrijfsleven mede het wonen op het water gaat promoten. De "oplossing" van Ooms is zonder meer van toepassing op andere arkenbouwers van Nederland. Hij is gebaseerd op de manier van vastleggen aan een paal met een beugel en aan het voldoen aan de bouwnormen voor huizen. Alle nieuwbouwarken voldoen ook aan die bouwnormen en een beugeltje is makkelijk te maken. Zelfs heel wat stilliggende schepen voldoen aan de bouwnormen en kunnen zo'n beugel met enige creativiteit aanbrengen.
Om te voorkomen dat de huidige woonboten in de nieuwe bestemmingsplannen bij een uitbreiding van ligplaatsen ook mee zouden kunnen doen, is een effectieve oplossing bedacht. De afmetingen van de ligplaatsen in nieuwe bestemmingsplannen zijn alleen geschikt voor waterwoningen. Een "traditioneel woonschip" past er niet in. De overheid meet met twee maten.


LWO moet alert blijven

Wonen op het water betekent voortdurend alert zijn op het verlangen van generaties ambtenaren om hun stempel te drukken op het water. Advocaat Cor Goudriaan signaleert dat elke ambtelijke golf opnieuw argumenten zoekt om die zucht tot controleren inhoud te geven.

"Bij wonen op het water horen de golven van steeds nieuwe ambtenaren. Daar heeft Jan Maarten Fiedeldij Dop mij indertijd de ogen voor geopend. Elke nieuwe generatie ambtenaren is bezield van de gedachte nu eindelijk eens orde op zaken te stellen op het water.
In '75 kwam ik op een boot te wonen. Ik was nog student, 23 jaar en kwam dus niet in aanmerking voor zelfstandige woonruimte: alleen een boot was betaalbaar voor mij. In '76 en '77 kwam de strijd tegen de provinciale verordeningen van Utrecht en Noord- en Zuid-Holland. Echt een golf ambtenaren die recht op de bootbewoners afkwam. Mijn kennis van het recht kon ik direct inzetten.
In die jaren heb ik eens een tekening gezien van een ambtenaar die onder water met een boortje door een scheepswand probeerde te komen. Gevoelsmatig zegt dat alles over de verhouding tussen de ambtenaar en de woonschipper. Wat dat betreft is er in dertig jaar weinig tot niets veranderd.

Achterhaald
De grootste strijd die ik heb meegemaakt was de strijd rond de Bullebak, een brug in Amsterdam. We kregen toen uiteindelijk erkenning voor het wonen op het water en de culturele waarde van de brug. De 'erfgoedgedachte' is sinds die tijd gaan leven.
De Bullebak zou verbreed worden en niet meer open gaan. Dus veel hoge boten in dat deel van de stad zouden niet meer naar de helling kunnen en waren gedoemd te verdwijnen.
De ambtenaren van Publieke Werken waren weer eens volstrekt voorbij gegaan aan het feit dat er flink wat mensen achter die brug woonden op boten die volledig waren erkend door de gemeenteraad.
Achteraf gezien was het hele idee achter die modernisering verkeerstechnisch eigenlijk al achterhaald toen de strijd losbarstte. Maar zonder ons had er waarschijnlijk geen haan naar gekraaid.

Tekentafel
Een van mijn medestanders in die strijd was Mathieu Custers die vooral goed was in tactiek en de grote lijnen: ik ben meer iemand van het detail. In die tijd leerde ik ook de andere mensen van het toenmalige Landelijke Woonschepen Overleg kennen als Meta van Dijk en Kees Sjenitzer. Sjenitzer kom ik natuurlijk nog wel eens tegen bij rechtszaken.
De meeste kennis rond wonen op het water zit nog steeds bij de LWO. Die is echt uit strijd geboren. Gelukkig is die nog steeds steengoed en de mensen daar weten vaak meer dan ambtenaren.
Ik merk het telkens weer als advocaat. Dat was al zo bij de Bullebak en dat geldt nog steeds. En dat is wonderlijk als je bedenkt hoe de kennis rond
woonboten verdeeld is in Nederland. De bootbewoner moet het maar in zijn vrije tijd rooien, de ambtenaren doen het in hun werktijd.
Voordeel is wel dat de bootbewoner uitgaat van zijn omgeving en van het water. De tegenpartij gaat uit van de tekentafel en komt dan ineens schepen en arken tegen die in de weg liggen.
De golf na de Bullebak had te maken met het ontstaan van de deelraden in Amsterdam. Die nieuwe ambtenaren dachten dat de centrale stad alles slecht had geregeld: "Bij ons in Noord gaan we zorgen dat het water niet vol komt te liggen."

Aantikken
Nu hebben we aan de Vecht de Dienst Waterbeheer en Riolering die alles goed wil gaan regelen. En het gebeurt weer vanaf die tekentafel.
We krijgen van die rare dingen te horen. Een loopplank moet een meter breed worden. Niet breder, maar ook niet smaller. En tussen de boot en de wal moet de zon in het water kunnen schijnen. Dat zou dan ecologisch verantwoord zijn.
Ecologie is momenteel wel het grote mode-woord maar ook de financiën blazen een aardig partijtje mee. Alles wordt net zo lang gedraaid totdat bootbewoners zowat criminelen lijken die er met de publieke centen vandoor gaan.
Er zijn redenaties bij die niemand zich in zijn hoofd zou halen als het om een woning op de wal ging: 'Wil je je boot verkopen voor vier ton? Prima, een ton ervan kan wel naar de DWR.' Dat tikt lekker aan als een boot in tien jaar een paar maal van eigenaar zou wisselen.

Alert
De eerste stap die je moet zetten naar die ambtenaren toe is contact leggen: het lege landschap van de tekentafel bevolken met echte mensen en echte boten. Hoe ziet de binnenkant van een woonboot er eigenlijk uit en hoe is het leven daar? Wat is het uitzicht naar buiten? Dan gaan ze zich wellicht afvragen of een loopplank van een meter breed eigenlijk wel een zinnige eis is en niet voortkomt uit de professionele ambtenarendrift om maar iets te controleren te hebben.
Dan zou DWR op kunnen merken dat er een NS-wandelroute loopt tussen Weesp en Muiden langs die rij arken. En dat is niet voor niets. Op mooie dagen vergapen de wandelaars zich aan de boten, de tuinen, de doorkijkjes. Het is toch een intiem landschap vergeleken bij de bedrijfsterreinen, snelwegen en spoorlijnen die dit stukje oer-Holland tekenen.
Als advocaat heb ik veel te maken met woonboten maar met het water heb ik ook wel altijd wat gehad. In mijn jeugd woonde ik in Ouderkerk aan den IJssel. Daar hoorde je constant de motoren van de binnenvaartschepen die voorbijkwamen. Later, toen ik al advocaat was, heb ik nog twee jaar gevaren op de binnenvaart. Ik woon nu al 25 jaar op het water en weet dat ik voortdurend alert moet blijven.

Sleutelposities
Er zijn mensen die murw en moe worden van het gesteggel rond de wetgeving. Ik ben zelf terug gestapt als activist toen er nieuwe mensen bij kwamen met plannen waarvan ik dacht: "Jongens, dat hebben we toch allang gehad."
Uiteindelijk is er geen bewustzijn bij mensen op de sleutelposities dat wonen op het water ook een vorm van wonen is. Ik merk dat in mijn rechtszaken. Veel boten liggen niet op gemeentelijke ligplaatsen maar huren de ligplaats en daarvoor geldt geen huurbescherming. Die woonplaatsen worden dan niet gezien als woonplaatsen met alle ellendige gevolgen van dien voor de bewoners.

Cor Goudriaan

Terug gaan terug    


Zoeken in website
nieuws
Reactie op de nota "Een lust, geen last", Visie Modernisering van de Monumentenzorg"
<<
meer lezen>>


Rode diesel en varende woonschepen
Per 1 juli 2008 is er geen onduidelijkheid meer over het varen met rode diesel
<<meer lezen>>
Waterwoning
De wonderbaarlijke overgang van woonschip naar waterwoning
<<
meer lezen>>
Riool, wat moet en mag
<<
meer lezen>>
Reactie RWS ligplaatsenplan
Inspraak reactie van de LWO op het "Ontwerp ligplaatsenplan Rijks Water Staat(RWS)
<<
meer lezen>>


LWO commentaar
op Subsidieregeling Riolering Woonboten van Amstel Gooi en Vecht (AGV).
<<meer lezen>>



links
- Woonbotenland
- Woonboot magazine
- SUWO Utrecht
- ABC Amsterdam
- SBA Amsterdam
- BHS Haarlem
- VWZ Amsterdam
- BBA Amsterdam
- HWKV Den Haag
- LVBH
- FONV
- Meer links

specials

Laroy Amsterdams woonschepenbeleid
Laroy Amsterdams woonschepenbeleid....(meer)


 

Start  Lid-worden  Publicaties  Sitemap   De LWO   Links  Contact