|
Beschermde stadsgezichten (2) - Neem nou het Oosterdok
Woonboot magazine (2) 2007
Tekst & Foto's: Frank Bos

Het Oosterdok getekend in 1851. De nieuw aangelegde dijk is geel
aangegeven. |
|
Nederland kent vele honderden beschermde stads- en dorpsgezichten. Over de
historische rol van het water, de scheepsvaart en de gebruikte schepen is in die
plannen weinig te vinden. Hoe kan een gemeente het stadsgezicht versterken met
bijvoorbeeld woonschepen. Neem nou het Oosterdok in Amsterdam.
Frank Bos

De uitbreiding van de haven rond 1660. De uiterwaarden die gebruikt
werden als landbouwgrond zijn vergraven tot de Oostelijke eilanden. Vlak
bij de stadsmuur zijn de VOC bezittingen. |
|
In 1832 werd het Oosterdok feestelijk in gebruik genomen. Om de plek die al
eeuwen diende als haven was een dijk aangelegd. De Amsterdamse haven dreigde
onbruikbaar te worden. Ingrijpen was noodzakelijk en dat gebeurde ook drastisch.
Aan de westkant van de stad kwam het Westerdok en aan de oostkant het Oosterdok.
Deze dokken waren bereikbaar via een sluizensysteem en het waterpeil was niet
langer afhankelijk van eb of vloed. In het midden van de stad, waar de rivier de
Amstel in het Y stroomde, bleef Het Open Havenfront aanvankelijk onbebouwd.
Totdat in 1869 werd besloten juist daar het Centraal Station aan te leggen.

De Amsterdamse waal rond 1625 |
|
Oude zeehaven
Er is veel fantasie voor nodig om je de oude haven van de stad voor te stellen.
De zeedijk liep rond 1660 ongeveer ter hoogte van de huidige Prins Hendrikkade.
Onze nationale zeeheld Michiel de Ruiter had daar op nummer 131 een woning. Hij
keek uit over het Y, een zeearm die in oostelijke richting uitliep in de
Zuiderzee. Die was verbonden met de Waddenzee en van daaruit voeren schepen naar
alle werelddelen. Amsterdam was in die tijd de belangrijkste havenstad van de
aardbol. De haven lag door bochten in het Y beschermd voor de overheersende
westelijke winden. Voor de stad in het zeewater waren rijen palen geslagen bij
wijze van stadsmuur. Grote zeeschepen gingen buiten de palenrij voor anker en
werden ‘op stroom’, dat wil zeggen op de eb- en vloedbeweging, geladen en
gelost. Daarbij voeren grote aantallen dekschuiten en lichters tussen de schepen
en de stad. Amsterdam was een ‘stapelhaven’, goederen werden hier aangebracht,
opgeslagen in pakhuizen en later doorverkocht. Dan moest de koopwaar weer in
schepen geladen worden voor verder vervoer. Geen enkele andere zeehaven had
zoveel pakhuizen die ook nog zo verspreid lagen over de hele stad. De grachten
waren de verkeersaders van de handel.

De brug bij de Schreierstoren met de grote kraan en heel veel masten
op de achtergrond. Dat drijvende huisje is een moddermolen, zo werden
baggermolens vroeger genoemd. |
|
Walen
Handel en scheepvaart waren tot voor kort aan seizoenen gebonden. In de winter
werd er nauwelijks gevaren en ging de bemanning naar huis. De schepen lagen
opgelegd in zogenaamde walen. Die walen bevonden zich in het Y, maar wel binnen
de palenrijen. Zo waren de vaartuigen beschermd tegen roofovervallen. Schepen in
de walen werden permanent bewoond en bewaakt. Dat was verplicht voorgeschreven
door de stadsregering. Amsterdam kende verschillende walen, zoals de Kromme
Waal. Ook de plekken waar rond 1830 het Ooster- en Westerdok werden aangelegd,
hadden daarvoor al als waal gediend. De palenrijen bepaalden zelfs gedeeltelijk
hun vorm.

Michiel de Ruiter kijkt nog steeds, maar het Y kan hij niet meer
zien door de vele nieuwbouw op het Oosterdokseiland. Die hoogbouw valt
net buiten het gebied van het beschermde stadsgezicht. |
|
Modderen
Heel de geschiedenis door bleek baggeren noodzakelijk in Amsterdam. De
palenrijen in het Y veroorzaakten extra neerslag van zand. Buiten de zeedijk
gelegen land liep daardoor ook minder onder bij hoge vloeden. Grote stukken
uiterwaard werden in gebruik genomen. Havens werden uitgegraven en het zand op
het land gegooid, dat heette opmodderen. De Verenigde Oost-Indische Compagnie
(VOC) bouwde er vanaf 1661 scheepswerven en pakhuizen. Ook particuliere
scheepswerven ontgonnen de uiterwaarden. De Amsterdamse Admiraliteit, voorloper
van de Koninklijke Marine, bouwde er in 1656 een enorm pakhuis, het huidige
Scheepvaartmuseum. Er kwam ook een Admiraliteitsscheepswerf, die tot 1915 de
meest geavanceerde schepen leverde. Ze hadden een eigen waal vlak voor hun
bezittingen. Ook daar zorgde een palenrij voor bescherming en verzanding. Rond
1775 lag een deel van onze marinevloot daar vrijwel permanent vast in de modder.

De Keulsche water waag getekend in 1792. Het Y was ondanks eb en
vloed rustig genoeg om hier alle goederen die naar de Rijn verscheept
werden te wegen. De waag dreef hier tot in 1824 zijn functie werd
overgenomen door een Keulse waag op palen in de Amstel. |
|
Ommekeer
Amsterdam verloor eind achttiende eeuw zijn belangrijke havenpositie. Dat had
veel te maken met de bezetting van Nederland door Frankrijk. Maar we kunnen
Napoleon niet helemaal de schuld geven van onze achteruitgang. Het VOC ging
zonder zijn hulp failliet, het Y verzandde voortdurend en de schepen werden
steeds groter en daarmee ook dieper.
Deel van de oplossing was het aanleggen van het Oosterdok. Tientallen
scheepswerven verloren daardoor wel hun open verbinding met zee. Ook de in 1826
opgerichte Koninklijke fabriek van Stoom- en andere Werktuigen en de
Marinevloot. De Oosterdoksdijk omsloot en beschermde voortaan een gebied waar
‘het’ al eeuwen in Amsterdam gebeurde.

De Pollux in 1924 tijdens een koninklijk bezoek. Links is nog net
een stukje van de drijvende vlotwoning van de beheerder te zien. Tot
verbijstering van veel Amsterdammers verdween de Pollux in 1989 naar
IJmuiden door een fusie van scholen. |
|
Woonschepen
Rond het Oosterdok bestonden drie scholingsinstituten voor de zeevaart. Het
Vaderlandsch Fonds ter aanmoediging van ’s Lands Zeedienst startte in 1785 de
Kweekschool voor de Zeevaart. Het was het eerste opleidingsinstituut voor
koopvaardijofficieren in de wereld.
Het Matrozen-Instituut der Koninklijke Nederlandsche zeil- en roeivereniging te
Amsterdam startte zijn werkzaamheden in 1849 op het woon- en werkschip de
Dordrecht. (Zie kader)
Ook de Marine had tot 1974 opleidingen, waarbij honderden kwekelingen
tegelijkertijd op schepen zoals de Wassenaar en de Buffel in het Oosterdok
woonden.
Maar ook beurtvaart- en sleepbedrijven hadden in het Oosterdok permanent
personeel wonen op hun ‘kantoorschepen’. Het Oosterdok zou wel eens het
intensiefst bewoonde stuk water van de stad kunnen zijn.

Deze ark hoort decennia lang bij het sleep- en transportbedrijf
P. vd Zee BV. |
|
Stoomschepen
Rond 1870 werd duidelijk dat de Amsterdamse haven veel meer ruimte nodig had dan
het Oosterdok kon bieden. In de zeevaart nam de stoommachine het over van de
zeilvaart. De Handelskade en later de Y-, Spoor-, Ertshaven en het Entrepotdok
werden gerealiseerd. De Prins Hendrikkade werd verbreed en in 1939 werden er
nieuwe pieren voor de beurtvaart ingericht. Op grote schaal werkten vrachtauto’s
en beurtschepen samen in een gecombineerd vervoersysteem. Dertig jaar later was
ook dat achterhaald. Alleen de schepen van de ‘wilde’ vrachtvaart bleven komen
en lagen naast de overgebleven bewoonde kantoorschepen. Meer woonschepen
volgden.

Het Oosterdok in 1891 door Olie gefotografeerd ter hoogte van de
Schippersgracht vanaf het Kadijksplein. Rechts het opleidingsschip ‘De
Wassenaar’ dat vanaf 1876 tot 1913 dienst deed als leslocatie en
slaapplaats voor de Marine. Er woonden tussen de tweehonderd tot
vierhonderd leerlingen tegelijkertijd op. De Marine had meer van die
woonschepen liggen in het Oosterdok. Een beroemd voorbeeld is het
ramtorenschip ‘De Buffel’, dat tot 1974 met een woonfunctie in het
Oosterdok lag en daarna door het Maritiemmuseum Prins Hendrik in
Rotterdam is overgenomen. |
|
Het
Oosterdok anno 2007 ook vanaf het Kadijksplein. Geen wapperende was en
geen schepen meer te zien. De Kweekschool, de Marine en de Pollux zijn
ook weg. In plaats daarvoor veel brede wegen en de Y-tunnel. |
|
Als we nu eens….
Als we nu eens op het water, net als op de wal, het historische karakter van het
Oosterdok versterken. We graven het water van het busstation weer uit. Dan
leggen we bijvoorbeeld de Pollux 2 weer permanent terug op zijn plek. Die heeft
nu een tijdelijk contract als Café-restaurant in Amsterdam-Noord. Of we vragen
de Buffel terug. Bij nieuwe plannen behouden we de enorme diversiteit aan
schepen, de wijze waarop ze nu gemeerd liggen en de intensieve bewoning van het
water. En we bouwen een replica van de drijvende Keulse water waag (zie foto) en
richten er bijvoorbeeld een permanente tentoonstelling in over het belang van
dit stuk haven, dat sinds 1832 Oosterdok heet.
| |
Het Matrozen-Instituut der Koninklijke
Nederlandsche zeil- en roeivereniging te Amsterdam was gevestigd op de
volgende schepen in het Oosterdok:
1849 - 1861 Dordrecht
1861 – 1871 Venus
1871 – 1883 Ajax
1883 – 1913 Zeehond
1913 – 1941 Pollux
1941 – 1989 Pollux 2
1989 vertrek opleiding en Pollux 2 naar IJmuiden
|
|
| |
Het eerste deel van deze reeks verscheen
in het januarinummer van 2007 van Woonboot magazine. Daarin staat
beschreven wat beschermde stadsgezichten zijn en wordt Het singel
behandeld.
|
|
Welstand - <1>-<2>-<3>-<4>-<5>-<6>-<7>
|